vertaal deze pagina

   Zoek op deze site met FreeFind

Het Gasthuis Ten Bunderen (1269-1578)

schilderij met afbeelding van het Gasthuis Ten Bunderen (Martine Debuf, 1996)
Schilderij met reconstructie-afbeelding van het Gasthuis Ten Bunderen (Martine Debuf, 1996)

Vanaf halfweg de 13de eeuw, stond er naast de aloude heerbaan, eenzaam en verlaten, een gasthuis voor de opvang van bedevaarders en arme reizigers. Dit zogeheten 'Gasthuis Ten Bunderen' werd bewoond door enkele "godvruchtige vrouwen", die de passanten kosteloos eten en slaapgelegenheid aanboden voor één nacht. Rond het gasthuis vormde zich geleidelijk een eerste kleine woonkern met enkele boerderijen, kortwoonsten en huizen.

In 1578, tijdens de godsdienstoorlogen, werd het gasthuis verwoest en sloegen de zusters op de vlucht richting Noord-Frankrijk. Hun verdere lotgevallen worden erg gedetailleerd beschreven op een aparte website. Na 7,5 eeuwen bestaat de Congregatie van Zusters, die haar historische wortels heeft in het "Gasthuis ten Bunderen", nog steeds. Ze telt (halfweg 2015) in totaal 25 leden, en heeft sinds 2004 haar hoofdklooster in Zonnebeke.

De ligging

Het "Gasthuis ten Bunderen" was gelegen in de huidige wijk 'de Tuimelare', aan de oostkant van de gemeente Moorslede, op de hoek van de huidige Oude Heirweg en de Ten Bunderenstraat, recht tegenover de Knaagreepstraat. De eeuwen door was het gasthuis verbonden met het huidige Beitem, om diverse redenen:

  • Het vroegere Ten Bunderen (met gasthuis, klooster en boererij) lag op een boogscheut van de huidige dorpskom van Beitem.
  • De eigendommen (bossen, akkers, weiden, boerderijen) van het gasthuis strekten zich, vanaf de ontstaansperiode, ook uit over ons dorp.
  • Tussen 1889 en 2016 situeerde Ten Bunderen zich, samen met 3/4 van het grondgebied van de Tuimelaere-wijk, binnen de grenzen van de parochie Beitem.

De Oude Heirweg, met in de verte de hoeve, waar ooit het Gasthuis Ten Bunderen stond.
De Oude Heirweg, met in de verte de hoeve, waar het Gasthuis Ten Bunderen stond (Google Street View).

De oorspronkelijke middeleeuwse gasthuisgebouwen werden totaal verwoest ten tijde van de Beeldenstorm en de Godsdienstoorlogen, een eerste keer in 1578 en nog eens in 1581. De zusters sloegen op de vlucht en zouden er nooit meer terugkeren. Enkel de Gasthuishoeve werd later heropgebouwd, tijdens Wereldoorlog I (1914-18) opnieuw in puin gelegd, in 1922 heropgetrokken en, in het begin van deze eeuw, gesloopt en vervangen door een modern woonhuis. Van de originele gebouwen van het gasthuis-complex is dus bovengronds niets meer overgebleven.

boer Carlos D'Hooghe, eigenaar van de Gasthuishoeve, wijst de plaats aan waar de fundering ligt van het Middeleeuwse Gasthuis Ten Bunderen
Boer Carlos D'Hooghe, de huidige eigenaar van de Gasthuishoeve, wijst de plaats aan
waar de fundering ligt van het Middeleeuwse Gasthuis Ten Bunderen.

In de weide van de bestaande boerderij, naast de Ten Bunderenstraat, waren tot voor enkele jaren nog duidelijk de contouren waarneembaar van de grondvesten van (een van) de originele gebouwen van het middeleeuws Gasthuis Ten Bunderen. Aan het einde van de jaren 1990 zijn op die plek - met behulp van een metaaldetector - op ongeveer een halve meter diepte enkele middeleeuwse pelgrim-insignes opgedolven. Archeologisch onderzoek zou allicht enige opheldering kunnen brengen over de structuur en de bouw van het gasthuis.

Het grondplan

grondplan van het Gasthuis Ten Bunderen in de 14de eeuw, aan de hand van de beschrijving in het 'Jaer-Boek' van priorin A. De Wilde
Het grondplan van het Gasthuis Ten Bunderen in de 14de eeuw, aan de hand van de beschrijving
ervan in het 'Jaer-boek' van priorin A. De Wilde (1781), getekend door Zr M.-P. Barbaix.

In een kloosterkroniek 'Jaer-boek' van 1783 staat een vrij gedetailleerde beschrijving van het het middeleeuwse Gasthuis Ten Bunderen. De plattegrond moet er ongeveer hebben uitgezien als volgt:

Het hele gasthuisdomein had een oppervlakte van één bunder (een oude landmaat die in Moorslede overeenstemde met ca. 1,4 ha). Aan dit woord 'bunder' ontleende het gasthuis trouwens zijn naam Ten Bunderen. Zoals gebruikelijk in de Middeleeuwen was het hele domein omgeven door diepe wallen, en opgedeeld in 4 percelen of 'eilandjes', die op hun beurt van elkaar waren gescheiden door grachten, maar onderling bereikbaar bleven via primitieve bruggetjes.

  • Op het meest oostelijk gelegen 'eilandje' (bovenaan rechts op de tekening) bevond zich het kloostertje, met een stal, een schuur (voor de berging van het graan, het vee en de trekwagens) en een boomgaard. Ernaast, in het zogeheten 'Bierkenland' (= een akker waarvan de opbrengst was bestemd voor de aankoop van bier), ontsprong de 'Riebeke', de huidige Godelievebeek, die vloeit naar de Babillebeek, een bijrivier van de Mandel.

    De vreemdelingen herbergen. Fragment van een schilderij van een leerling van Brueghel de Jongere de werken van barmhartigheid (17de eeuw)
    Pelgrims bij een gasthuis. Fragment van een schilderij 'De werken van barmhartigheid'
    (een leerling van Brueghel de Jongere, begin 17de eeuw).

  • Ten westen (bovenaan links op de tekening) was een 'eilandje' dat paalde aan de huidige Oude Heirweg, onderdeel van de belangrijke pelgrimsweg Aardenburg-Brugge-Torhout-Roeselare-Menen. Daarop was het eigenlijke 'Gasthuis Ten Bunderen' gebouwd, dat de passerende pelgrims konden bereiken, vanuit de Molenweg, via een ingangsbrug over de buitenwal van het domein. Behalve het hoenderhof, stond hier, zeker al vanaf 1330, ook een kleine kapel met bijhorende kapelanij (= huis voor de kapelaan), waar de zusters samenkwamen voor de getijden-gebeden en de mis.

  • Een zuidelijker gelegen strook grond, langs de Heerweg, werd gebruikt als akkerland.

  • Eronder bevond zich nog een langwerpige perceel dat werd aangewend als moestuin en kruidentuin.

De Asselmolen (met rode pijl aangestipt) op de Ferraris-Kaart van 1771
De Asselmolen (met rode pijl aangestipt) op de wijk St.-Pieter in Ledegem. Kaart van Ferraris, 1771

Noordwaarts lag het immense 'Veldt-Bosch', dat zich uitstrekte op het grondgebied van Moorslede tot een eind over de Galgestraat, én op het grondgebied van het huidige Beitem, tot ver over de Meensesteenweg. Langs de noordelijke wal van het domein liep de Molenweg, een smalle aardeweg die - ter hoogte van de huidige Meensesteenweg - naar het zuiden afboog en leidde naar de verdwenen 'Assel-molen' op het gehucht St.-Pieter (Ledegem). De toegang tot de Molenweg werd afgesloten door een balie (= houten hekken) om ossespannen en karren met paard de toegang te ontzeggen. Alléén wandelaars, de zusters en de boeren, die hun graan zélf sjouwden, mochten van dit binnenpad gebruik maken.

Het ontstaan

oorkonde uit 1269 met de oudst bekende vermelding van de naam van het Gasthuis
oorkonde uit 1269 met de oudst bekende vermelding van de naam van het Gasthuis. Helemaal links op
de 6de tekstregel staat "hospitali de bunra" (Brugge, Groot Seminarie, Archief - Fonds Duinen-Doest, nr. 1039)

Het is niet bekend in welk jaar, of op welke datum het Gasthuis ten Bunderen precies is gesticht. Er is wel een oorkonde bewaard gebleven uit 1269 met het testament van een priester uit Lissewege. Daarin staat te lezen in het Latijn: "Hospitali de bunra culturam unam", d.w.z. dat een akker werd overgemaakt aan "het gasthuis de bunra" (bunra was een van de synoniemen voor het woord bunder). De zusters van Ten Bunderen gaan er van uit dat hun Congregatie al moet hebben bestaan in het jaar 1269.

De stichter(s)

Kasteel van de Heer van Moorslede (A. Sanderus, 1691)
Kasteel van de Heer van Moorslede, vermoedelijke stichter van het Gasthuis Ten Bunderen
(detail van de kaart "De Casselrie van Ypre", A. Sanderus, 1691)

Wie stichtte het Gasthuis ten Bunderen? Deze vraag blijft tot dusver onbeantwoord. Het initiatief voor de oprichting van een gasthuis kon in de Middeleeuwen uitgaan van letterlijk iedereen, die hiervoor de nodige financiële middelen ter beschikking stelde. Het kon een geestelijke zijn, bijv. de bisschop, een kloosterabt, een kapittel van kanunniken, een abt of vermogende priester. Maar ook leken van alle rang en stand kwamen in aanmerking, zoals een welgestelde familie, een ambachtsgilde, een broederschap, een schepencollege, een feodale heer, een edelman of adellijke vrouw.

Volgens de overlevering en enkele 19de-eeuwse kroniekschrijvers en geschiedkundigen, zou het Gasthuis ten Bunderen zijn gesticht door de gravin van Vlaanderen, Johanna van Constantinopel (1205-1244) ofwel haar zuster Margaretha (1244-1278). Niet zo onwaarschijnlijk want de stichting in Vlaanderen van heel wat gasthuizen, godshuizen, begijnhoven en hospitalen is toe te schrijven aan een van deze adellijke zussen. Maar voor het gasthuis bestaat geen enkel schriftelijk bewijsstuk van zo'n schenking.

fragment uit een handschrift van 1674 (kasteel van Rumbeke)
fragment uit een handschrift van 1674 (kasteel van Rumbeke)

Er zijn ernstige aanwijzingen - maar alweer géén sluitend bewijs - dat de feodale heer van Moorslede de stichter was van het gasthuis, d.w.z. dat hij de cijnsgrond schonk en mogelijk (een deel van) het "startkapitaal". In een handschrift van 1674 (bewaard in het kasteel van Rumbeke) lezen we dat "men van alle tyden den voornoemden heere van Morselede ghehouden heeft voor fundateur, tuteur en gouverneur supreme van goederen temporele ‘t voorseide Godtshuys in Morselede competerende (= toebehorend)". Naargelang van de datum van de stichting was dat de heer Walter II (1233-1268) ofwel zijn oudste zoon en opvolger Hendrik IV (1268-1304).

zegels met het wapenschild van de Heer van Moorslede
zegels met het wapenschild van de Heer van Moorslede

Feit is dat Hendrik IV in 1299 in aanvaring kwam met de priorin van het Gasthuis omdat deze laatste, zonder zijn toestemming, nieuwe zusters had aanvaard en omdat zij niet jaarlijks de rekeningen aan hem voorlegde. Hendrik IV dreigde ermee beslag te leggen op een stuk grond, dat het Gasthuis van hem in leen hield. Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen, kwam tussenbeide in het geschil en stelde Hendrik IV in het gelijk. De Heer van Moorslede behield zijn rechten, maar aan de leengrond van de zusters mocht hij evenwel niet raken. Dat Salomonsoordeel van de graaf laat veronderstellen dat de heer van Moorslede wel degelijk de stichter was van het Gasthuis, en dus bepaalde rechten kon laten gelden.

De eerste bewoonsters

dry deugtsame jouffrauwen van Conditie
Gesticht door "dry deugtsame jouffrauwen van Conditie...", op de 6de regel van onderaan
(A. De Wilde, Jaer-boek, 1781).

Dank zij de bewaard gebleven klooster-annalen 'Jaer-Boek' van 1783 weten we dat er aanvankelijk drie vermogende vrome ongehuwde vrouwen verbleven in het Gasthuis. Het ging om "dry deugtsame jouffrauwen van Conditie (=welstellend, vermogend) om de weerelt te vluchten ende haerlieden tot christelike werken te begeven, hun t' samen vervoegt".

Detail van een schilderij (1578) in het Stedelijk Museum Hof van Busleyde in Mechelen.
Detail van een schilderij (1578) in het Stedelijk Museum Hof van Busleyde in Mechelen.

De namen van die eerste bewoonsters van het Gasthuis van ten Bunderen zijn niet bekend. Omdat ze welstellend waren mogen we veronderstellen dat ze hun persoonlijke bezittingen hebben ingebracht. Een van hen was de priorin om de belangen te behartigen van het gasthuis tegenover de geestelijke (de bisschop van Doornik en de deken van Roeselare) én wereldlijke overheid (o.m. de heer van Moorslede).

Het werk

Een pelgrim vraagt de zuster onderdak in het Gasthuis. Middeleeuwse miniatuur.
Een pelgrim vraagt de zuster onderdak in het Gasthuis. Middeleeuwse miniatuur.

De kloosterkronieken van 1783 omschreven bondig de specifieke opdracht van het middeleeuws Gasthuis: "met insicht van te logeeren de arme pelgrims die reysden naer de heylige landen. Het gasthuis was dus een opvangtehuis waar arme passanten, dwz. pelgrims, kruisvaarders of hulpbehoevende reizigers, 's avonds kosteloos een maaltijd en overnachting aangeboden kregen, om 's anderendaags hun tocht verder te zetten naar een van de vele bedevaartsoordsoorden in het zuiden, naar Rome, het H. Land en vooral naar St.-Jakob van Compostela in Spanje.

Middeleeuwse ziekenzaal van het Sint-Janshospitaal in Brugge (detail). Jan Beerblock, ca. 1778.
Ziekenzaal van het Sint-Janshospitaal in Brugge (detail). Jan Beerblock, ca. 1778.
(Brugge, Oud Sint-Janshospitaal)

De zusters "gaven voor spyse erweetpotagie, bierken ende eenen busch om te warmen". Zoals in de meeste middeleeuwse gasthuizen bereidden ze dus voor de passanten - vermoeid na een uitputtende dagmars doorheen een onherbergzaam bebost gebied - een maaltijd, bestaande uit 'erweetpotagie' (= een soort van stamppot met erwten) en drank (= bier. Géén water, want het drinken ervan hield in de Middeleeuwen zware gezondheidsrisico's in!) en een bussel hout om zich te warmen bij het haardvuur.

"Sy voorsagen die arme pelgrims in dien tyd van twee (later vier) bedden", staat nog in de kloosterkroniek. Dat wil niet zeggen dat er niet meer dan 4 gasten terecht konden. In de ME was het de gewoonste zaak van de wereld dat 3, 4 of 5 mensen, van hetzelfde geslacht wel te verstaan, - zoals gebruikelijk naakt - in één tweepersoonsbed sliepen! Om plaats te besparen vooral, of omdat er niet voldoende bedden waren. Dat choqueerde in die tijd helemaal niet.

De zusters van het gasthuis van Doornik op ziekenbezoek
Zusters van het Doornikse gasthuis op ziekenbezoek (14de eeuwse miniatuur. Doornik, O.L.Vrouw-kathedraal).

We kunnen er rustig van uitgaan dat de zusters van Ten Bunderen, in de wintermaanden, zoals in vele andere passantentehuizen, zich toelegden op het bezoeken en verzorgen van zieken in de omgeving (de huidige Tuimelare-wijk).

Augustinessen (vanaf 1473)

Vrome vrouw. Duitse miniatuur uit de 12de eeuw
Vrome vrouw. Duitse miniatuur uit de 12de eeuw.

In de beginperiode, vanaf halfweg de 13de eeuw, verbleven er in het Gasthuis géén kloosterzusters in de moderne betekenis van het woord. Het waren vrome leken die een soort van semi-religieuze gemeenschap vormden, zoals er zoveel bestonden de Middeleeuwen. Ze waren niet gebonden door een kloosterregel en legden geen plechtige geloften af. In de praktijk leefden ze volgens de 3 evangelische raden (gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede) en volgden een soort van intern reglement en een dagindeling, al dan niet voorgelegd aan de bisschop of diens afgevaardigde, de pastoor van Moorslede of de deken van Roeselare.

de H. Augustinus
de Heilige Augustinus

Vanaf de 15de eeuw wilde de kerkelijke overheid méér controle verwerven over de wildgroei van semi-religieuze communauteiten (godshuizen, begijnhoven, gasthuizen, hospitalen, e.d.). Op 16 mei 1476 legde Willem Fillastre, de bisschop van Doornik, de kloosterregel van de H. Augustinus op aan de bewoonsters van het Gasthuis ten Bunderen. Omdat Augustinus' Regel slechts algemene beginselen omvat vaardigde de bisschop daarnaast eigen aanvullende statuten uit, met prakische maatregelen voor het dagelijks leven, het gebedsleven, de ascese en het werk. Van dan af gingen de zusters op geregelde tijden van de dag naar de kapel om samen het O.L.Vrouwgetijdengebed te lezen.

Het einde van het gasthuis (1578)

de plundering van een kerkinterieur. Frans Hogenberg. Ets. 20 augustus 1566
de plundering van een kerkinterieur (ets van Frans Hogenberg, 1566)

Vanaf halfweg de 16de eeuw drong het protestantisme onze streken binnen. In augustus 1566 brak op verscheidene plaatsen in Zuid-Vlaanderen een spontane opstand uit van de Calvinisten, beter bekend als 'de Beeldenstorm'. De zogeheten 'Geuzen' trokken vanuit Ieper een spoor van vernieling, plundering en brandstichting in kerken, kapellen en kloosters. Op 23 augustus richtten ze een grote ravage aan in het Gasthuis: "Alles werd gedestrueerd ende verbrandt door de vreetheyt der hugenotten" (Jaer-boek). De zusters sloegen op de vlucht naar een onbekende bestemming.

Inname van Menen door de Malcontenten in 1578
Beeld van de godsdiensttroebelen: de inname van Menen door de Malcontenten in 1578

Na deze eerst golf van troebelen keerden de zusters in 1568 terug, installeerden zich in het gespaard gebleven gastengebouw en leefden er in uiterste armoede. Maar in 1578 volgde een nieuwe uitbarsting van geweld. Op 1 oktober werden protestantse Schotse soldaten-huurlingen uit Menen verdreven door de zogeheten Malcontenten (= pro-Spaanse katholieke edellieden uit de meest zuidelijke franstalige provincies van de Nederlanden). De op wraak beluste Schotten zwermden uit naar de naburige dorpen, o.m. naar Moorslede, waar ze de gasthuisgebouwen nog grondiger verwoestten. De 7 zusters werden voor de 2de keer, ditmaal voorgoed, verjaagd uit hun Gasthuis. Ze namen hals over kop de wijk naar het klooster van Zwartzusters in Rijsel en naar dat van de Augustinessen in St.-Omaars.

De verdere lotgevallen van de gasthuiszusters

  • Ieper (1587-1785)

    de Spaanse landvoogd Alexander Farnese (schilderij van Otto Vaenius)
    De Spaanse landvoogd Alexander Farnese
    (schilderij van Otto Vaenius, 1585).
    Pieter Simons, de 2de bisschop van Ieper (Bron: Roland Meulebrouck)
    Bisschop Pieter Simons, die de zusters naar Ieper
    haalde (Bron: R. Meulebrouck).

    Na een langdurige belegering verdreef de Spaanse landvoogd Alexander Farnese in 1584 de Geuzen uit de stad Ieper, en slaagde er vervolgens in om alle Vlaamse en Brabantse steden, bezet door de Calvinisten, te heroveren voor Spanje. Zo ontstond een scheiding tussen de (katholieke) Zuidelijke en (protestantse) Noordelijke Nederlanden. De naar Frankrijk gevluchte zusters konden uit ballingschap terugkeren naar Vlaanderen. Helaas niet meer naar hun Gasthuis, om diverse redenen:

    • Alle gebouwen van het gasthuis waren in ruïnes herschapen en in de omgeving dwaalden vandalen, dieven en wolven rond.
    • Zoals uitgevaardigd op het Concilie van Trente (1545-'63) verzocht, Pieter Simons, de bisschop van Ieper, de zusters, om veiligheidsredenen, niet meer op het platteland te wonen, maar binnen de veiliger muren van zijn bisschopsstad.
    • Tengevolge van de godsdienstoorlogen waagden zich nog slechts weinig pelgrims op de onveilig geworden bedevaartroutes. Er was dus geen "cliënteel" meer voor het gasthuis.

    Coninkxdaele in de Rijselsestraat (ansichtkaart van voor WO I)
    Het afgeschafte klooster Coninckxdaele in de Rijselsestraat in Ieper
    (afbeelding van vóór 1874).

    Na 9 jaar verbanning in Frankrijk kregen de 5 overgebleven Bunderzusters in 1587 de officiële toestemming van de Spaanse landvoogd Farnese om een leegstaand huis te betrekken in Ieper. Tegelijk gaf Farnese hen een officiëel document, waarin hij verklaarde dat ze eigenaressen bleven van alle onroerende eigendommen die ze bij hun vlucht naar N.-Frankrijk hadden moeten achterlaten, en die zich uitstrekten over het huidig grondgebied van Moorslede, Beitem, Ledegem en Dadizele. De heropgebouwde hoeve van het Gasthuis, nabij Beitem, werd weer verpacht.

    De Oostenrijkse keizer Jozef II
    De Oostenrijkse keizer Jozef II, die de Bunderzusters in Ieper in 1873 afschafte.

    De communauteit van Ten Bunderen verbleef bijna twee eeuwen in Ieper, op 3 opeenvolgende adressen. Vanaf 1781 waren de zusters geen 'Hospitaliere zusters' meer maar reguliere Kanunnikessen, die een beschouwend leven leidden. Omdat ze contemplatieven waren werden ze, in 1783, door de Oostenrijkse keizer Jozef II als 'nutteloos voor de samenleving' opgeheven. Alle eigendommen van het afgeschafte klooster werden geconfisqueerd en beheerd door het zogeheten 'Comité voor de Religiekas' in Brussel.

    Op 26 juni 1783 werden de 15 zusters verdreven uit hun kloosterpand Coninckxdaele in de Rijselstraat. De oude, zieke en blinde priorin Agnes De Wilde mocht, samen met 4 religieuzen, gaan wonen in een klein huisje in de Boterstraat in Ieper. Het leek er even op dat hier het verhaal van de zusters van Ten Bunderen zou eindigen...

  • Moorslede (1785-2004)

    Oudste voorstelling van het klooster in de Iepersestraat in Moorslede (1840)
    Oudste voorstelling van het klooster bij de kerk in de Moorsleedse Iepersestraat (1840)

    In 1785 vroeg Carolus Maddens, pastoor van Moorslede, aan Zr. Carolina Verhelst in de Ieperse Boterstraat, om een armenschool te leiden, vlakbij het kerkplein. De zuster ging in op dit verzoek en stelde zo de continuïteit en de toekomst van het 5 eeuwen oude 'ten Bunderen' veilig!

    De groep van Zr. Carolina en de 4 "godvruchtige schooljuffrouwen", die al les gaven in de armenschool, evolueerde snel in de richting van een prille parochiale religieuze congregatie, onder leiding van de pastoor, met de spiritualiteit van de toen erg populaire St.-Vincentius a Paulo als inspiratiebron. De regel van de H. Augustinus had afgedaan. Vanaf 1846 vormde de communauteit van 18 zusters een volwaardige diocesane congregatie, met een kloosterregel opgelegd door de bisschop van Brugge.

    het hospitaal in Moorslede (postkaart, 1878)
    het hospitaal in Moorslede, waar een groepje zusters werkte vanaf 1825 tot WO I (postkaart, 1878).

    De zusters hadden het in de eerste helft van de 19de eeuw niet breed. Ze werden uitgestuurd voor het oprichten van zelfstandige stichtingen, onafhankelijk van het moederklooster, o.m. een bejaardentehuis in Dadizele (1823), een armenschool en bejaardentehuis in Zevekote (1826) en een armenschool en hospitaal in Klerken (1829). Enkele zusters gingen vanaf 1825 werken in het Moorsleedse hospitaal tot WO I.

    Het eerste bijhuis, gesticht in 1856 te Slypskapelle, met school (links) en klooster (midden).<br>(foto: Wilfried Deraeve, Oostnieuwkerke).
    Het eerste bijhuis, gesticht in 1856 te Slypskapelle, met school (links) en klooster (midden).
    (Bron: Wilfried Deraeve, Oostnieuwkerke).

    Vanaf 1856 werd een heel netwerk van filialen (= bijhuizen, afhankelijk van het moederklooster in Moorslede) opgericht: een eerste in Slypskapelle (1856), en vanaf de Schoolstrijd (1879-84), op tal van plaatsen elders in West-Vlaanderen, zoals Zonnebeke (1883), Westouter en Pollinkhove (1884), Waardamme (1889), Middelkerke (1890), Wulpen en Proven (1891), Knokke (1892), Krombeke (1893), Mariakerke-Oostende (1895), Raversijde (1905), Oedelem en het gehucht Oostveld (1911).

    De wijkschool St.-Jozef aan De Koekuit, Nachtegaalstraat 5-7 (1875-2009).
    De wijkschool St.-Jozef aan De Koekuit, Nachtegaalstraat 5-7 (1875-2009).

    In de tweede helft van de 19de en in het begin van de 20ste eeuw werden buiten Moorslede-centrum ook enkele wijkscholen opgericht, die intussen allemaal zijn verdwenen of overgenomen: in Slypskapelle (1856-1975), aan 'De Koekuit ' (1875-2009), de 'Drogenbroodhoek ' (1897 tot WO I), 'Het Kruiske '-'De Vierkaven ' (1900-2001) en de 'Waterdam ' (1906 tot WO I).

    het kloostercomplex in Moorslede aan het einde van de 19de eeuw
    het klooster- en scholencomplex in Moorslede aan het einde van de 19de eeuw

    In de loop van de 19de eeuw groeide het klooster in Moorslede uit tot een imposant gebouwencomplex, geprangd tussen het kerkplein, de Dadizelestraat, de Ieperstraat (de huidige Zesde Jagersstraat) en het Kerkstraatje. Het omvatte het eigenlijke kloosterpand, met kapel en noviciaat voor de zusters, voorts een bloeiend Frans meisjespensionaat (vanaf 1815), een betalende Franse lagere burgerschool voor externen (vanaf 1826), een kleuter- en basisschool (één voor meisjes en één voor jongens), een kantschool (1838), een doofstommenschool (1829-1834), een weeshuis (1861-1919) en een lagere landbouwhuishoudschool (1895 tot WO I).

    Het klooster bij het kerkplein in puin (1918)
    De ruïnes van het verdwenen 19de-eeuws klooster bij het kerkplein in Moorslede, na 4 jaar oorlog.

    Naar het einde toe van Wereldoorlog I (1914-18) werd Moorslede-centrum vrijwel compleet verwoest door het zware artillerievuur van de gealliëerde troepen. Van het klooster stonden nog slechts een paar stukken muur overeind. De zusters slaagden erin om hun vooroorlogse grond bij het kerkplein te ruilen voor een groter perceel (bijna 4,5 ha.) aan de Stationsstraat (waar vanaf 1908 tot 1918 een velodroom was), dat eigendom was van de heer van Dadizele en Moorslede. Op die plaats werd in 1923 een splinternieuw klooster- en scholencomplex opgetrokken, dat tot op vandaag is blijven bestaan.

    luchtfoto van het klooster- en scholencomplex in Moorslede
    Luchtfoto van het klooster- en scholencomplex aan de Stationsstraat in Moorslede.

    Het onderwijs nam opnieuw een hoge vlucht. Er was een algemeen-middelbare school (lagere cyclus) voor meisjes die in het pensionaat verbleven, daarnaast een middelbare landbouwhuishoudschool en een bloeiende kleuter- en basisschool. In de 2de helft van de vorige eeuw waren er enkele structurele wijzigingen in het onderwijsaanbod: de openstelling van de lagere humaniora in 1951 voor zowel meisjes-internen als externen, en in 1981 ook voor jongens; de start van een naaischool in 1951, die in 1958 een beroepsschool Snit en Naad werd; de omvorming in 1953 van de Landbouwhuishoudschool tot een Sociaal-Technische School; en tenslotte, in 1991, de sluiting van de héle lagere secundaire school. Véél meisjes uit Beitem zullen zich dat nog wel herinneren!!

    De eerste karavaan van 5 missiezusters in Basankusu in 1926
    De eerste karavaan van 5 Ten Bunderen-missiezusters in 1926 in Basankusu (Belgisch-Kongo).

    Als éérste congregatie in het bisdom Brugge stuurde "Ten Bunderen" in 1926 vijf zusters-missionarissen naar het huidige bisdom Basankusu, in het Congolese Evenaarsgebied. Ze stonden er in voor onderwijs en gezondheidszorg in 4 missieposten. In 1961 richtten ze een postulaat en noviciaat in voor inlandse medezusters, die vanaf 1975 een zelfstandige diocesane congregatie vormden. Na 70 jaar missiewerk kwamen de laatste vier Bunderzusters in 1996 terug naar Vlaanderen en droegen al hun gebouwen en de hele onderwijsstructuur over aan de inlandse vrouwelijke religieuzen.

    groepsfoto 1969 - 138 zusters, 3 ziek, 14 in Congo (in totaal 155)
    Groepsfoto in 1969 van 138 zusters (4 zieken en 14 missionarissen ontbreken).

    Zoals in de 2de helft van de 19de eeuw richtte de Congregatie hier en daar nieuwe bijhuizen op: in Geluwe (1927), Poperinge (1928), Abele-Watou, (1937) en Brugge (1989). Bij de luisterrijke viering van het 700-jarig bestaan van Ten Bunderen, in 1969, telde de Congregatie maar liefst 138 zusters! Maar dit jubelfeest luidde een periode in van geleidelijke teruggang, die ongeveer alle religieuze orden en congregaties trof in de post-conciliaire tijd: door de gestage vermindering van het aantal kloosterlingen en nieuwe roepingen én door de toenemende vergrijzing, werden de zusters gedwongen om hun scholen en onderwijstaken over te dragen aan leken. De kloosterfilialen gingen één voor één dicht en er kwam een einde aan het missiewerk in Congo .

  • Zonnebeke (2004 - )

    Groepsfoto van alle Zusters van ten Bunderen op 15 augustus 2014.
    Groepsfoto van de zusters van Ten Bunderen in 2014 vóór hun nieuw kloostergebouw in Zonnebeke.

    In 2004 werd het hoofdklooster in Moorslede gesloten en, samen met een deel van de schoolgebouwen, overgemaakt aan het Orthopedagogisch Centrum Sint-Idesbald van de Broeders van Liefde uit Roeselare. De communauteit van zusters verhuisde naar een modern kloosterpand aan de Ieperstraat in Zonnebeke. In 2008 greep de Congregatie van de Zusters van O.L.V.-Ten Bunderen terug naar de eeuwenoude kloosterregel van de H. Augustinus, zoals die al in de beginperiode op de Tuimelare in Moorslede werd nageleefd.

    Disclaimer     © Copyright 2014- . Alle rechten voorbehouden. Contact: willem.wylin@telenet.be