vertaal deze pagina

   Zoek op deze site met FreeFind

Dat dorp van toen, het is voorbij....

Het dorp (Wim Sonneveld; muziek: Jean Ferrat)
Druk op de groene linkerknop met wit driehoekje om te luisteren

klik hier voor de tekst

Jeugdsentiment
(Willy Seynhaeve)

Geprangd tussen Roeselare en Menen
Ligt Beitem, dorp van mijn kinderjaren
In mijn straat, geplaveid met kasseistenen
Toen auto's nog zeldzaam waren
Speelden we als kind zomaar op straat
Voetballen, indiaan met pijl en boog
Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat
In zomers lang, heet en droog
Buren die in de avondzon op de bank zaten
Om over de dingen van de dag te praten
Toen de eerste antennes op de daken verschenen
Is stilaan de gezelligheid verdwenen

Langs de stille landweg stond een kapel
Geschilderd in wit en lieflijk blauw
Vaak hield ik er halt, slechts voor een tel
Aan dat kapelletje van Onze Lieve Vrouw
Ik zie de gele boterbloempjes nog in de wei
De klaprozen in de grachtkant, de boerderij
Ik zie het koren nog in het eindeloze veld
Onder een hemel waarin ik de wolkjes heb geteld
Ik wou zo graag dat het nu nog altijd kon
Maar ik zie slechts asfalt, stenen en beton

Het dorp van weleer
Dat ik als kind heb gekend
Bestaat niet meer
Mij rest enkel jeugdsentiment

Ode aan een vervlogen tijd

Ik heb het onschatbare voorrecht genoten om als kleine jongen op te groeien op het platteland, in de besloten maar warme dorpsgemeenschap van Beitem, halfweg de 20ste eeuw. Zonder het toen te beseffen leefde ik er gelukkig, als een "kleine prins", verbonden met het veilig nest van het gezin en in woordeloze harmonie met de omringende natuur. Dat dorp van weleer, met zijn kerk, school, boerderijen, bescheiden werkmanshuisjes, kronkelende weggetjes tussen velden en weilanden, had een natuurlijke schoonheid, bezat een gaaf landelijk uitzicht, een innerlijke waarachtigheid en een bijzondere charme. De mensen leefden dichtbij de hen omringende natuur, die een ondefinieerbare rust uitstraalde. Ze hadden gemakkelijk contact met mensen, dieren en planten, met alles wat groeide en leefde. Het voortschrijdend leven had een eigen ritme, gedragen door de cyclische terugkeer van de seizoenen en door de opeenvolging van dagen, weken en jaren. Veel georganiseerde ontspanning was er niet, ook niet veel spanning.

De mensen in het dorp waren stevig geworteld binnen de eigen "ouderwetse" landelijke cultuur (hoofdzakelijk gekneed door de christelijke levensbeschouwing). Ze hadden het contact nog niet verloren met de grote samenhang der dingen, met een aantal gevestigde waarden, tradities, normen en levenswijsheid die ze aan de volgende generatie doorgaven. Die landelijke cultuur doordesemde alle aspecten van het leven. Iedereen dacht een beetje zoals iedereen. De invloed van de pastoor en onderpastoor, de zusters, de onderwijzers en onderwijzeressen, de herbergiers en dorpsfilosofen was onmiskenbaar. De bewoners van het dorp beschikten over een spontaan vermogen om - op hun eigen nuchtere manier, wel te verstaan - het (religieuze) mysterie achter de dingen te vatten en te respecteren. Vanuit die vrij homogene godsdienstige onderstroom kreeg elk individu toch de kans om zich eigenzinnig te onderscheiden. De doodgewone mensen beschikten over een grote dosis intuitieve levenswijsheid, een schijnbaar aangeboren inzicht in wat voor de mens goed en waardevol is.

Diepe verbondenheid met de natuur en de dorpsgenoten

In het dagelijkse leven voelden de mensen zich niet enkel één met de natuur, ze leefden tevens intens verbonden met de mensen rondom hen. Iedereen kende iedereen en deelde met iedereen lief en leed. Iedereen had iedereen nodig. Men wist ook haast alles van andermans levens. Zoals men zich voordeed, zijn emoties toonde, zo was men: vanuit een innerlijke geestelijke echtheid. Alle inwoners waren op de een of andere manier boeiend, gingen hun weg op hun manier, schreven allemaal hun eigen verhaal. Er was veel achterklap, geroddel, gegluur achter de gordijntjes. Dat is waar. Maar tegelijk heerste er binnen die landelijke, geordende en hechte gemeenschap van Beitem een hoge mate van vanzelfsprekende onderlinge hulpvaardigheid, die aan de enkeling een diep en hartverwarmend gevoel gaf van veiligheid, houvast, warmte en geborgenheid.

De materiele omstandigheden waren in mijn kindertijd verre van rooskleurig, maar de meeste mensen bezaten een innerlijke rust en hun draagkracht was sterker. Ze leden wel, maar bij tegenspoed toonden ze een groot incasseringsvermogen. Men was met weinig tevreden ook. De klemtoon lag op het lenigen van de primaire lichamelijke behoeften, zoals eten, wonen, slapen, kledij. Materiële en psychische behoeften waren ondergeschikt. Men was (voelde zich!) rijk met weinig. Wat telde was de duurzaamheid der dingen, zowel van de leefverbintenissen (vriendschap en echtelijke liefde) als van kledij, gereedschap, werk, enz. Alles moest degelijk zijn, niet geimproviseerd of "goedkoop".

Iedereen had, binnen de overwegend agrarische samenleving, zijn/haar specifieke eigen functie. Vele mensen beschikten vrijer dan nu over hun tijd, waren hun eigen baas en regelden hun werk zelf: "d'r zat niemand acht'r hem". Wie daarentegen werkte bij een patroon, boer of als meid in een herengezin, was meer onderworpen aan discipline. Handenarbeid stond hoog aangeschreven. Bij het uitoefenen van zijn/haar beroep of ambacht (boer, brouwer, herbergier, slager, smid, vismarchand, scharensliep, bezemmaker, kolenmarchand, enz.) was er een marge van creatieve vrijheid. Een stielman genoot - net zoals een creatieve kunstenaar - van het werk van zijn handen, van de kwaliteit van het afgewerkte produkt en vooral van de waardering door de anderen van zijn kunde en vakmanschap.

Het was geen ideale wereld.

Ik ontken niet dat ik die wereld, waarin ik opgroeide, hier onwillekeurig idealiseer als de hemel op aarde, als een "Tuin van Eden". Ik ontsnap niet aan de spontane neiging om vooral de goede herinneringen in mijn geheugen te bewaren, en de minder aangename dingen automatisch naar het onderbewustzijn te verdringen. Na al die jaren, en van op afstand toekijkend, denk ik met veel weemoed en nostalgie terug aan mijn kindertijd. Tegelijk ben ik niet blind voor de kwalijke kanten ervan, hoewel ik daar als kind toen niet bij stilstond. De samenleving, waarin mijn kinderjaren zich afspeelden, was verre van volmaakt. Het was geen ideale wereld, alleen al omdat die nooit en nergens bestaat of ooit heeft bestaan. Die wereld vertoonde nogal wat onvolkomenheden en zelfs negatieve kenmerken, die men zich in deze tijd niet meer kan voorstellen.

Het dorp Beitem vormde een wat gesloten, duidelijk afgebakende wereld, zoals ook elders in die tijd op het Vlaamse platteland. De mensen van toen leidden hun eigen leven. Dat was een manier van leven die in menig opzicht, zowel cultureel, levensbeschouwelijk, economisch als technologisch vrij primitief, ouderwets en statisch was. Men leefde statisch. De gedachten, gevoelens en relaties veranderden weinig, ze gingen een hele leven lang mee. Onbewust leefde er een zekere angst voor elke sociale en culturele verandering. Men stond weinig open, ja men koesterde zelfs een soort van primitieve achterdochtig tegenover vreemde (ook goede!) invloeden, nieuwe ideeën en ontwikkelingen van buitenaf. De overrompelende impact van de massamedia, radio, televisie, sociale media, internet e.d. bestond nauwelijks. Het grote nieuws gebeurde in het dorp. Men reisde zelden, zeker niet naar verre oorden, met uitzondering dan naar Lourdes op bedevaart, met een bus, onder geleide van de dorpspastoor. Buitenlandse vakanties, dus contacten met andere culturen, talen en volkeren, waren schaars.

Het was een gemeenschap van mensen met een streng hierarchische ordening, waarin ieder zijn veilige plaats had en kende. Er overheerste een sterk stand- en klassebesef, een haast kinderlijke onderwerping aan en respect voor de gevestigde heersende orde. Het gezag van een kleine minderheid van notabelen in het dorp (pastoor, dokter, school) werd niet in vraag gesteld. Die onderdanige houding cultiveerde de onwetendheid, een zeker fatalisme, de berusting haast in het eigen lot, dat van bij de geboorte min of meer is vastgelegd. Hoe vaak hoorde je niet: "We zijn maar werkmensen" of ook nog "Voortleren, verder studeren, dat is niet voor werkmensen". Alles was keurig geordend en haast niemand dacht eraan hiertegen in verzet te komen. De persoonlijke aanleg, vaardigheden of talenten kwamen enkel aan bod binnen de klasse waartoe men behoorde. De sociale orde en de klassenhiërarchie werden als een natuurlijke ordening aanvaard.

   Disclaimer     © Copyright 2014- . Alle rechten voorbehouden. Contact: willem.wylin@telenet.be