vertaal deze pagina

   Zoek op deze site met FreeFind

Beitem in de Middeleeuwen - politiek

Het kasteel van de Heerlijkheid van Rumbeke. Kaart van de Kasselrij Ieper (detail). Joan Blaeu, 1641.
Het kasteel van de Heerlijkheid van Rumbeke. Kaart van de Kasselrij Ieper (detail). Joan Blaeu, 1641.
(A. Sanderus, "Flandria Illustrata").

In de middeleeuwen, en zelfs nog tot de 18de en 19de eeuw lag het huidige Beitem in een zeer bosrijk gebied. De bossen waren bewoond door wolven, everzwijnen, slangen en andere wilde dieren. In de loop der tijden werd het merendeel van die bossen gerooid en de moerassen drooggelegd.

Zo ontstonden in de loop der late Middeleeuwen 2 woonkernen: een eerste rond het "Gasthuis Ten Bunderen" en een tweede rond de herberg "De Meerlaan". Die woonkernen omvatten hier en daar een hofstede, huizen en vooral schamele hutten opgetrokken uit hout, leem en andere voorhanden zijnde bouwmaterialen. De bewoners leefden van jacht, vogel- en visvangst en wat landbouw. Het huidig grondgebied van Beitem situeerde zich tijdens de Middeleeuwen in de parochie Rumbeke, die deel uitmaakte van Oost-Ieperambacht, binnen de kasselrij Ieper.

De kasselrij Ieper

Kaart van de kasselrij Ieper. De rode stip duidt Beitem aan, nabij het Gasthuis ten Bunderen (Joan Blaeu, 1641).
Kaart van de kasselrij Ieper. De rode stip duidt Beitem aan, nabij het Gasthuis ten Bunderen
(Joan Blaeu, 1641).

In het begin van de 11de eeuw herverdeelde graaf Boudewijn IV bestuurlijk en gerechtelijk het graafschap Vlaanderen, dat sinds de Karolingische tijd was opgesplitst in gouwen ("pagi"). De hier en daar reeds bestaande grafelijke burchten werden centra van nieuwe territoriale omschrijvingen, nl. burggraafschappen, 'kasselrijen' genoemd. Aan het hoofd van een kasselrij stond een burggraaf, die, als plaatsvervanger en vertrouweling van de graaf, de schepenbank voorzat. Vanaf omstreeks 1200 werden deze burggraven geleidelijk vervangen door burgerlijke ambtenaren, de baljuws. De kasselrijen bleven als administratief-financiëel en gerechtelijk onderdeel van het graafschap voortbestaan tot het einde van het Ancien Régime (1795).

Het Zaalhof van de kasselrij Ieper. J. Blaeu. Kaart, Kasselrij Ieper (detail), 1641
Het Zaalhof van de kasselrij Ieper. J. Blaeu. Kaart, Kasselrij Ieper (detail), 1641.

Aanvankelijk installeerde de graaf van Vlaanderen 5 kasselrijen: Brugge (Brugse Vrije), Gent, Sint-Omaars, Kortrijk en Doornik. Op het einde van de 11e eeuw kwamen er binnen de kasselrij van Sint-Omaars een hele reeks bij, o.m. de kasselrij Ieper. Het administratief centrum van de kasselrij Ieper werd het Zaalhof genoemd en was gevestigd in een gebouw op de noordzijde van de Grote Markt in Ieper, waar vandaag de rechtbank van koophandel is gehuisvest. In de 14de eeuw werd de kasselrij Ieper, net zoals enkele andere kasselrijen, opgedeeld in ambachten: West-Ieperambacht en Oost-Ieperambacht. Deze ambachten werden op hun beurt ingedeeld in parochies.

Rumbeke

Kaart van de kasselrij Ieper, met de parochie Rumbeke in Oost-Ieperambacht (Bron: R. Boucquey)
Kaart van de kasselrij Ieper, met Rumbeke, gelegen in Oost-Ieperambacht
(Bron: R. Boucquey).

Tot het einde van de 18de eeuw, tot de Franse Tijd (1794 - 1815) - die het einde inluidde van het 'Ancien Régime' - bestonden er op de Vlaamse platteland nog geen gemeenten. Men kende alléén parochies. Zo was Rumbeke géén bestuurlijk-administratief geheel in de moderne betekenis van het woord: géén gemeente, maar een parochie. Haar totale oppervlakte bedroeg ongeveer 2.050 hectaren (inclusief het grondgebied van de huidige parochie Beitem). Samen met de stad Roeselare, Roeselare-buiten (het landelijk gedeelte van de stad), Oekene, Ledegem, Rollegem-Kapelle, Oostnieuwkerke, Hooglede, Staden en een deel van Gits behoorde de parochie Rumbeke (dus ook het huidige Beitem) tot Oost-leperambacht, en maakte bijgevolg deel uit van de kasselrij Ieper.

Reconstructie-tekening van een laat-middeleeuwse heerlijkheid.
Reconstructie-tekening van een laat-middeleeuwse parochie met heerlijkheid.

Zoals binnen elke kasselrij waren er in die van Ieper kleinere 'heerlijkheden', lokale bestuursvormen binnen de middeleeuwse feodale gezagsstructuren. De centrale leidende persoon van zo'n heerlijkheid was de heer, die fungeerde als leenman van de hogere heer, de burggraaf, die op zijn beurt als leenman optrad namens de graaf. Veel heerlijkheden waren in handen van de adel of van steden. De heer, later bijgestaan door een baljuw (een soort politiecommissaris), gaf een deel van de gronden binnen zijn heerlijkheid in leen, het andere deel gaf hij uit tegen een jaarlijkse rente ('cijns'). Onder de personen die rentegronden van hem hielden, koos de heer de plaatselijke schepenbank, die normaal 7 leden telde.

Dorp met domein van een heerlijkheid. Simon Marmion, Vlaamse miniatuur, 1470. Londen, British Library.
Dorp met domein van een heerlijkheid. Simon Marmion, Vlaamse miniatuur, 1470
( Londen, British Library).

Het plaatselijk beleid, het innen van belastingen, de ordehandhaving, de rechtspraak e.d. waren nauw verweven met de verbrokkelde middeleeuwse feodale structuren. Het grondgebied van Rumbeke zag eruit als een bont lappendeken van grote en kleine feodale heerlijkheden, waarvan de grenzen vrijwel nergens overeenkwamen met die van de parochie. Binnen elke heerlijkheid was de plaatselijke (leen)heer - naargelang van de graad van zijn bevoegdheden - in mindere of meerdere mate zélf verantwoordelijk voor het intern politieke, juridische, financiëel beleid.

De heerlijkheden in Rumbeke

Rumbeke in het feodale tijdperk (Bron: Raoul Boucquey)
Reconstructiekaart van de oude heerlijkheden in Rumbeke, tijdens het feodale tijdperk
(Bron: Raoul Boucquey).

In het feodale tijdperk bestonden er op het grondgebied van de parochie Rumbeke 4 grote heerlijkheden (de heerlijkheid Rumbeke, de heerlijkheid 't Hof t' Izegem, de heerlijkheid den Hazelt en de heerlijkheid Roeselare-ambacht). Om het nog ingewikkelder te maken: elke heerlijkheid had kleine enclaves, verstrooid en verspreid over het hoofdgebied van de 3 andere heerlijkheden, hielden bovendien geen rekening met de Rumbeekse parochiegrenzen en strekten zich ook uit op het grondgebied van naburige parochies.

Naast de 4 grote heerlijkheden waren er in Rumbeke enkele kleinere enclaves ('spleten') van naburige heerlijkheden, zoals die van 't Hof t'Oekene, 't Hof te Passendale, Hof van Izegem, Rode (Kachtem) en Schiervelde (Roeselare).

    Graftombe van Jacob I de Thiennes en zijn vrouw in de kerk van Rumbeke.
    Graftombe van de heer Jacob I de Thiennes en zijn vrouw in de kerk van Rumbeke.

    Tot omstreeks 1502 werd de zetel van de heerlijkheid Rumbeke omschreven als een hofstede met bos, land en water errond. Tussen 1525 en 1535 verbouwde de heer Jacob I de Thiennes de aloude herenhoeve om tot een statig omwald L-vormig herenhuis, grotendeels opgetrokken in baksteen. Jacob I de Thiennes, de eerste kasteelheer van Rumbeke, was de raadgever van Maximiliaan van Oostenrijk en van Keizer Karel. Hij werd, samen met zijn tweede vrouw Katelijne van Oignies, begraven in een arduinen graftombe in een zijbeuk van de kerk van Rumbeke.

    Het kasteel van Rumbeke nu
    Het vroegere grafelijk kasteel van Rumbeke, nu.

    In de 18e eeuw werd het kasteel licht classicistisch verbouwd en het Sterrebos aangelegd. De ingang werd in 1730 naar de zuidkant verhuisd, en het jaar daarop werden het westelijke en oostelijke poortgebouw opgetrokken. Het kasteel bleef zo'n 400 jaar (1467-1856) eigendom van de familie de Thiennes, met als familiedevies: "Tienne quoi qu’advienne". In 1856 huwde Astérie Marie de Thiennes met Dirk de Limburg Stirum, waardoor het kasteel gedurende 150 jaar (1856-1988) bezit werd van deze familie, met als devies: "Je marche droit". In 1988 verkocht graaf Guillaume de Limburg Stirum het kasteel aan de NV Sterrebos, die nog steeds de huidige eigenaar is. Het kasteel heeft niets van een middeleeuwse burcht, en bezat nooit enige verdedigingsfunctie: het was een groot kasteel-landhuis en een van de oudste renaissancekastelen in ons land.

  1. De heerlijkheid Rumbeke

    De heerlijkheid Rumbeke (of 'Graafschepe van Rumbeke') was de belangrijkste en grootste, en omvatte ruim 1/3 van de oppervlakte van de parochie Rumbeke. Enclaves ervan strekten zich uit over het gebied van Oekene, Roeselare, Izegem en Kachtem. In 1479 kwam de heerlijkheid, via een huwelijk, in handen van de adellijke familie de Thiennes, uit het Frans-Vlaamse Thiennes (Tienen). De heerlijkheid werd ook heerlijkheid Caestre of Kaaster genoemd, omdat de familie de Thiennes tevens heer was van het Frans-Vlaamse Castre (Kaaster).

    De Spaanse koning Filips IV. Diego Velazquez, 1656 (Londen, National Gallery).
    De Spaanse koning Filips IV. Diego Velazquez, 1656 (Londen, National Gallery).

    In 1649 voegde de Spaanse koning Filips IV de heerlijkheden Rumbeke en t'Hof 't Iseghem samen tot één graafschap en schonk de toenmalige heer, René de Thiennes, de erfbare titel van "graaf". Als een der belangrijkste feodale heren van de streek zetelde de heer van Rumbeke in het twaalfkoppig college van edele vazallen van de kasselrij Ieper, dat samen met de baljuw en de schepenbank van de kasselrij, de hoogste bestuursmacht van de Zaal van Ieper uitmaakte.

    Een stedelijke schepenbank. Middeleeuwse houtsnede.
    Een schepenbank. Middeleeuwse houtsnede.

    In het bestuur en de rechtspraak werd de kasteelheer bijgestaan door ambtenaren, waarvan de baljuw (vergelijkbaar met een huidige politiecommissaris) en de schepenen de belangrijkste waren. Hijzelf stelde deze funktionarissen aan. De zetel van de schepenbank was vermoedelijk gevestigd in de herberg 'De Rooden Leeuw' (het latere 'Oud Stadhuis') op het Kerkplein.

    Zitting van een rechtbank. Miniatuur, 1460. E. Zoudenbalch (Wenen, Österreichische Nationalbibliothek)
    Zitting van een rechtbank. Miniatuur, 1460. E. Zoudenbalch.
    (Wenen, Österreichische Nationalbibliothek)

    De heerlijkheid Rumbeke beschikte over de 3 graden van juridisch gezag:

    • lagere rechtspraak, betreffende kleine geschillen en disciplinaire zaken, min of meer te vergelijken met het huidige vredegerecht of de politierechtbank.
    • middelbare rechtspraak, die burgerlijke zaken en kleine vergrijpen (bijv. diefstal en verwondingen toebrengen) behandelde. Hij kon geldboeten opleggen, lijfstraffen laten toedienen, verbanning ofwel verbeurdverklaring van goederen uitspreken.

      Opknoping van moordenaars. Miniatuur, 1460. Evert Zoudenbalch (Wenen, Österreichische Nationalbibliothek).
      Opknoping van moordenaars. Miniatuur, 1460. Evert Zoudenbalch.
      (Wenen, Österreichische Nationalbibliothek).

    • hogere rechtspleging voor alle belangrijke criminele daden. De heer kon de doodstraf uitspreken en laten uitvoeren met het zwaard, de galg of het rad. Vrouwen werden levend begraven in een put en mannen opgehangen. Deze executies (door 'put ende galghe') werden voltrokken op het zogenaamde 'Wielstick' of 'Galghestick', een veld gelegen langs de Meenseheirweg nabij de Zilverberg, verbonden met het kasteel van Rumbeke door een "galghestraete".

  2. De heerlijkheid van 't Hof t' Izegem

    De heerlijkheid van 't Hof t' Izegem omvatte eveneens zowat 1/3 van het Rumbeekse grondgebied. Een groot deel van het huidige Beitem, inclusief de aloude Meerlaan-wijk, lag op het grondgebied van 't Hof t' Izegem. Een kleiner deel van de heerlijkheid situeerde zich op Roeselaars grondgebied rond de Meiboom. De zetel van 't Hof t' Izegem - een grote omwalde hoeve op een heuveltje ('mote') - was gevestigd nabij de (verdwenen) tumulus langs de vroegere spoorweg Roeselare-Menen. De rest van de heerlijkheid lag verspreid over Oekene, Moorsele, Ledegem, Moorslede en Oostnieuwkerke.

    De Heer Thomas de Thiennes en familie voor het kasteel van Rumbeke. (Brugge, collectie Adornes)
    De Heer Thomas I de Thiennes en familie vóór het kasteel van Rumbeke 1534 (Brugge, coll. Adornes).

    De heerlijkheid behoorde oorspronkelijk toe aan de heren van Izegem (oudste vermelding ervan in 1066), vanaf de 14de eeuw kwam ze in het bezit van de familie van Stavele, burggraven van Veurne. In 1550 kocht graaf Thomas I de Thiennes, heer van Rumbeke, 't Hof t' Izegem, waardoor hij maar liefst 2/3 van Rumbeke in leen had!

    Ophanging van veroordeelden. Miniatuur, 1460. Historiebijbel van Evert Zoudenbalch (Wenen, Österreichische Nationalbibliothek).
    Ophanging van veroordeelden. Miniatuur, 1460. Evert Zoudenbalch
    (Wenen, Österreichische Nationalbibliothek).

    De heer benoemde een baljuw, een schout (=onderbaljuw), een schepenbank en 3 belastingsontvangers (= 'pointers'). De heerlijkheid 't Hof t' Izegem beschikte over lagere, middelbare en hogere rechtspraak. Het 'galghestick', waar mannelijke terdoorveroordeelden werden opgeknoopt en vrouwelijke levend werden begraven, bevond zich langs de huidige Galgestraat in Beitem.

  3. De heerlijkheid den Hazelt

    De herberg met witte voorgevel, achter de fietser, op de vroegere Zwijnsmarkt (nu Botermarkt), was de zetel van de heerlijkheid den Hazelt.
    De herberg met witte voorgevel, achter de fietser, op de Varkensmarkt (nu Botermarkt) in Roeselare,
    waar de zetel was van de heerlijkheid den Hazelt (Erfgoedbankmidwest (coll. Walter Decoker).

    Deze heerlijkheid, waarvan de zetel nochtans was gevestigd in Roeselare, aan de Varkensmarkt (de huidige Botermarkt, nabij het standbeeld van Peegie en de Hazeltstraat), had slechts een miniem gedeelte van haar grondgebied in de stad. Het overgrote deel van de bezittingen spreidde zich uit over de parochie Rumbeke en andere nabijgelegen parochies, o.m. Moorslede (o.m. aan de zuidkant van de huidige Mgr. Catrystraat, met de Veldmolen). De heerlijkheid was zeer oud, misschien zelfs even oud als de villa Roeselare, gesticht in de 9de eeuw. Ze werd in 1628 gekocht door de familie de Thiennes, de kasteelheren van Rumbeke.

    Ansichtkaart van vóór Wereldoorlog I, met een afbeelding van de Roeselaarse Zwijnsmarkt (nu Botermarkt). Rechts de herberg waar de heerlijkheid den Hazelt zetelde.
    Ansichtkaart van vóór Wereldoorlog I, met een afbeelding van de Roeselaarse Zwijnsmarkt (nu Botermarkt).
    Rechts de herberg waar de heerlijkheid den Hazelt zetelde (Bron: Jonathan Van Collie).

    Het gerechtshof ('de vierschaar') van den Hazelt, verbonden aan de heerlijkheid, was de hoogste rechtbank (een soort van hof van beroep) van héél Oost-Ieperambacht. Deze vierschaar sprak recht over de grafelijke gebieden, behandelde rechtszaken van heerlijkheden die geen hogere rechtsgraad hadden of die betrekking hadden op meerdere heerlijkheden tegelijk.

  4. De heerlijkheid Roeselare-ambacht

    Het belfort van Roeselare (A) op een stadsplan van Sanderus, 1662.
    Het belfort van Roeselare (A), vergaderplaats van de heerlijkheid Roeselare-ambacht
    (Stadsplan van Sanderus, 1662)

    De heerlijkheid Roeselare-ambacht, die het grootste deel van Roeselare-buiten (= het landelijke gedeelte van de parochie Roeselare) in beslag nam, bezat ongeveer 1/6 van het grondgebied Rumbeke in leen. Voorts situeerden haar bezittingen zich in Oekene, Rollegem-Kapelle, Ledegem, Oostnieuwkerke, Beveren, Ardooie en Passendale.

    Het bestuur bestond uit een baljuw, 7 schepenen en een schout, voor het merendeel aangesteld door de heer van Roeselare/Wijnendale. Het benoemingsrecht van de schout en 2 schepenen was evenwel het voorrecht van de burggraaf van Roeselare. De juridische bevoegdheid van de schepenbank beperkte zich tot lagere en middelbare rechtspraak.

Reconstructie-tekening van een 11de-eeuws dorp met heerlijkheid
Reconstructie-tekening van een Vlaams dorp in de 11de eeuw.

    Disclaimer    © Copyright 2014- . Alle rechten voorbehouden. Contact: willem.wylin@telenet.be