|
De Meensesteenweg op Beitem Plaetse, richting Roeselare, vóór Wereldoorlog I (Bron: Prentkaart Vangheenberge-Bonte). Tot halfweg de 18de eeuw was de Gallo-Romeinse heerweg, de enige weg van betekenis op het grondgebied van het huidige Beitem. Het dorp werd pas echt uit zijn isolement gehaald door de aanleg, tussen 1751 en 1754, onder het bewind van de Oostenrijkse keizerin Maria-Theresia, van een steenweg, tussen Brugge (de Smedenpoort) en Menen (de Brugsepoort), via Torhout en Roeselare. Beitem werd van noord naar zuid doorsneden door deze 'Meensche kossieje ', die min of meer parallel liep met de oude heerweg. Ossenwagen in de sneeuw. Tekening van Vincent Van Gogh. De toestand van het wegennet in West-Vlaanderen, met name de N-Z verbinding van Brugge richting noord-Frankrijk, was abonimabel. Van het Romeinse stenen wegennet bleef niet veel meer over. Tussen Roeselare en Menen bevond de bestaande heerweg zich nog in redelijk goede staat. Maar de meeste wegen waren niet meer dan veredelde karrensporen in de aarde, die er vaak modderig en onbruikbaar bij lagen, vooral in de winterperiode. Deze aardewegen belemmerden het transport in het algemeen en in het bijzonder vervoer van produkten (hout, graan, landbouwprodukten) naar de markten. Het reizen was een weinig comfortabele onderneming en bovendien erg gevaarlijk doorheen bosrijke gebieden met wilde dieren en struikrovers. Landschap. Tekening van Vincent Van Gogh. Het waren de nijvere steden Menen en vooral Roeselare die ijverden voor de aanleg van een geplaveide weg Brugge-Menen, om het transport van goederen en mensen, de handel, de markten, de landbouw en de ontluikende (textiel)nijverheid in onze streken te bevorderen. Al in 1737 hadden ze een eerste keer een octrooi-aanvraag ingediend bij de centrale overheid in Brussel, maar het project was op de lange baan geschoven, wegens tegenwerking van steden zoals Kortrijk, Tielt, Doornik en Gent, die beducht waren voor concurrentie en/of méér voelden voor een parallel lopende weg Brugge-Kortrijk. Keurvorst Karl Theodor von der Pfalz-Neuburg (George Desmarées, 1750). De redder in de nood was Karl Theodor, keurvorst van Pfalz-Neuburg en Beieren (1724-1799), paltsgraaf van de Rijn en tevens Heer van Wijnendale, Roeselare en Torhout. Deze Duitse edelman - die hier een kans zag voor meer inkomsten en een vlotter transport van het hout uit zijn bos van Wijnendale naar de markten! - wist de steun te verwerven van zijn vriend en familielid, Karel van Lorreinen, landvoogd der Nederlanden in Brussel, voor de plannen van Roeselare en Menen. De Smedenpoort van Brugge, vanwaar in 1751 de kasseien werden gelegd voor de steenweg naar Menen. Beide steden dienden in 1750, een nieuwe octrooi-verzoek in voor een steenweg Brugge-Menen. Een meerderheid van de gedeputeerden van de Staten van Vlaanderen maakte geen bezwaar meer en de Rekenkamer van Vlaanderen verleende een gunstig advies. Op 1 april 1751 werd het octrooi (= organiek decreet) - namens de Oostenrijkse keizerin - door de landvoogd en diens gevolmachtigde minister goedgekeurd. Het vertrek van de "diligence". Het octrooi, bestaande uit 31 artikels, somde een aantal voorwaarden op voor de aanleg van de geplande steenweg, o.m. de maximumbreedte, de te volgen onteigeningsprocedure, de soorten toegelaten voertuigen. Belangrijk was dat hele project zelfbedruipend moest zijn, m.a.w. de initiatiefnemers moesten de steenweg "op eigen kosten" laten aanleggen. Volgens het octrooi mochten tussen Brugge en Menen maximum 8 barrieres (slagbomen) komen om tol de innen, waarmee de kosten konden worden gedekt en het geleende geld terugbetaald. Er golden vaste toltarieven (kortingen waren niet toegestaan) en boetes bij overtredingen. Het was toegelaten om een dienst voor "openbaar vervoer" (met reiskoetsen, de zgn. "diligences") op te richten. Krachtens het octrooi moest de bestaande oude heerweg nagenoeg over de hele lengte openbaar in loten worden verkocht, zodat iedereen wel verplicht was om met zijn gerij langs de nieuwe steenweg te trekken en tolgeld te betalen. Die verkoop zou plaats vinden op 20 november 1754, een maand na de voltooiing van de nieuwe kasseiweg. Wapenschild van keurvorst Karl Theodor op de kerkgevel van het Roeselaarse Klein-Seminarie. Keurvorst Karl Theodor, die resideerde in het Duitse Mannheim en vanaf 1777 in München, heeft de steenweg nooit gezien: hij had het niet enkel te druk door zijn turbulente liefdesleven, hij beschikte ook over degelijke medewerkers, die ter plaatse zijn bezittingen beheerden en de aanleg van de steenweg controleerden. Op het fronton in de puntgevel van het stadhuis aan de Grote Markt en ook op de voorgevel van het Klein Seminarie van Roeselare prijkt nog steeds het wapenschild van deze Duitse edelman. De twee "constructeurs" - de keurvorst en de stad Menen - kwamen tot een zakelijke-financiële overeenkomst waarbij de 46,6 km lange steenweg werd opgedeeld in twee sub-trajecten. De scheidingslijn tussen beide was ter hoogte van het 'Gasthuis ten Bunderen ', aan 'Sinnesaels Kapel'!!
Dwarsdoorsnede van de kasseiweg Brugge-Menen (Bron: F. Delameilleure). De eigenlijke steenweg was een 4,8 meter brede strook kasseien ('kinderkopjes '), licht gewelfd en afgezet met 2,74 cm brede en 1,23 meter diepe borduurstenen. Aan weerskanten liep een 3,8 meter brede aardeweg, omzoomd met 2 rij bomen (die schaduw gaven aan de voetgangers) en daarachter, aan beide buitenzijden, een diepe gracht voor de waterafvoer. De totale breedte van de steenweg - van gracht tot gracht - bedroeg zowat 17,5 meter. Het kasteel van Wijnendale. De bossen errond leverden de duizenden bomen langs de Meensesteenweg (Bron: Antonius Sanderus, "Flandria Illustrata", 1640). Alléén al op het traject van de Keurvorst, dus van Brugge tot Beitem, werden bijna 100 miljoen kasseien uit zandsteen, soms uit porfier of witte steen (uit de groeven van Quenast, Lessen, Vilvoorde, Wiers enz.) en haast 96 km borduurstenen (afkomstig uit Doornik en omgeving) gelegd, die werden aangevoerd met schepen naar grote magazijnen in Brugge en Menen. Aan beide kanten van de kasseiweg werden over de hele lengte maar liefst 18.000 bomen geplant (eiken, olmen en beuken), gekweekt in de uitgestrekte bossen van Wijnendale, die eigendom waren van de Keurvorst. Na 3 jaar, op 10 oktober 1754, bereikten de kasseileggers van de twee trajecten mekaar aan het scheidingspunt ter hoogte van het 'Gasthuis ten Bunderen ', en daarmee was de steenweg volledig afgewerkt en kon deze in gebruik worden genomen. Tot op vandaag is deze weg, de N32, nog steeds een belangrijke provinciale weg als noord-zuidas, dwars doorheen West-Vlaanderen. De Meensesteenweg kwam vroeger tot aan de Kafhoek. Men moest rechts de Iepersestraat nemen tot de Zuidstraat om zo de Grote Markt van Roeselare te bereiken. Pas na WO I werd de Steenweg doorgetrokken tot de St.-Michielskerk, zichtbaar op de achtergrond. (Prentbriefkaart Nels van 1910). De Meenstesteenweg stopte aan de buitenrand van Roeselare, ter hoogte van 'de Kafhoek ' aan de Iepersestraat. Dan moest men een omweg maken langs de Zuidstraat om het centrum van de stad te bereiken. Pas na WO II werd de St. Michielsstraat aangelegd, om de steenweg vanaf 'de Meiboom ' door te trekken tot aan de St.-Michielskerk en zo naar de Markt en de Noordstraat, richting Torhout en Brugge. Om de hoge investeringskosten terug te winnen werden langs de nieuwe kasseiweg in totaal 8 barrieren (= slagbomen) geplaatst, waar tol werd geheven op de voorbijtrekkende voertuigen (vergelijkbaar met de 'gares de péage' op de hedendaagse Franse autowegen). Zo'n barriere bestond uit een houten slagboom, geschilderd in rode en witte kleuren, meestal met ernaast een houten huisje voor de wachter. Traject van de steenweg met de 8 tolhuizen (Bron: F. Delameilleure). Deze barrieren dienden als stopplaatsen, waar de reizigers, even konden uitstappen om de benen te strekken, in de herberg iets te drinken. Daarom werden ze opgericht bij een bestaande herberg met slaapkamers. De barriereherberg werd uitgebreid met stallingen om de paarden wat haver te geven, te verzorgen, te laten overnachten en eventueel te vervangen. Post- en reiskoetsen ('diligences ') en koeriers hielden er halt, alsook 'charabancs ' (afgeleid van het Franse woord 'char-à-bancs ', een open rijtuig voortgetrokken door een vierspan) en kleine paardenkoetsjes, zogeheten 'sjezen ' (verbastering van het Franse woord "chaise") om individuele reizigers te vervoeren.
De tol-tarieven varieerden naargelang van
Tracé van de Meensesteenweg, met de barriereherberg 'De Meerlaan ' (gele stip) en het 'Gasthuis ten Bunderen ' (rode stip). 'Carte Marchande ' (detail) der Oostenrijkse Nederlanden. Ferraris, 1777-78. De eerste jaren was de Meense Steenweg verlieslatend. Het tolgeld vertegenwoordigde maar 43,3 % van de inkomsten. Om de hele zaak te financieren schreven de keurvorst van Wijnendale en het stadsbestuur van Menen leningen uit, waarop ze uiteraard interest moesten betalen. Pas vanaf 1765 werd de steenweg geleidelijk rendabel, vooral door de stijging van het wegverkeer (en dus van de tolinkomsten), door de bevolkingstoename, door de verkoop van snoeihout van de bomen aan beide kanten van de weg, e.d. Een 'charabanc ' (een open rijtuig met 4 paarden) van het einde van de 18de eeuw (Bron: Wikimedia). De barrieren werden verpacht - voor een termijn van telkens 3 jaar - aan bareelwachters, die 10% opstreken van de totale tolopbrengsten. In de praktijk werd de eigenaar of huurder van de bestaande herberg annex boerderij aangesteld als tolhuispachter, om zo zijn inkomen te vermeerderen. De bareelwachters moesten pachtgeld betalen aan de keurvorst van Wijnendale, de tol innen van het voorbijgaand verkeer, de steenweg in de buurt onderhouden én beletten dat men van de steenweg gebruikt maakte tijdens de dooiperioden. Ze mochten hindernissen en barelen plaatsen in de onmiddellijke omgeving om te voorkomen dat reizigers via sluipwegen de tol omzeilden. Op het niet betalen of op het gebruiken van een sluipweg stond overigens een hoge boete. De tol werd geheven tijdens het hele Oostenrijks Bewind tot 1792. Vrijgesteld van tol waren o.m. de landvoogd, de ridders van het Gulden Vlies, leden van de raad van State, militairen van het Oostenrijks bezettingsleger én omwonenden van de nieuwe steenweg. Later, tijdens het Franse Overheersing (1794-1815), werden de tolheffingen afgeschaft, en in 1815, vanaf de Nederlandse Tijd, opnieuw toegepast. Pas in 1868 werden in het Onafhankelijke België de tolrechten op staatswegen en provinciewegen, dus ook op de Meensesteenweg Brugge-Menen, definitief opgeheven. Het Simon Stevinplein in Brugge, 3 x per week de vertrekplaats van de diligence naar Menen.
De grote markt van Menen, vanwaar driemaal per week een diligence vertrok richting Brugge. Met de aanleg van de steenweg kwamen tussen Brugge en Menen verbindingen tot stand met reiskoetsen, de zogeheten "diligences", bestuurd door een koetsier met 4 paarden. Vooral de welstellende burgers langs het traject maakten er gebruik van. Ze konden handbagage en post vervoeren. De dienst werd in 1755 uitbesteed aan Jan Vandersteene, herbergier van 'Het Hof van Commerce ' in Menen. Reiskoets ("diligence") in Louveciennes. Camille Pisarro, 1870. Parijs, Musée d'Orsay. De reiskoetsen reden driemaal per week heen en weer. Op zondag, dinsdag en donderdag vertrok de diligence s' morgens vanuit Brugge (vanaf de herberg 'Den Engel ' aan het huidige Simon Stevinplein) en de daaropvolgende dagen, maandag, woensdag en vrijdag, vanuit Menen (bij de taveerne 'Den Rooden Hoedt ' aan de Grote Markt). In Menen was ook aansluiting voor diligences van en naar Rijsel, Kortrijk en Ieper. Zaterdag was een rustdag. De Ferrariskaart toont hoe de Meensesteenweg aanvankelijk niet was doorgetrokken tot aan de St.-Michiels- kerk in Roeselare, maar aan de Kafhoek rechts uitweek, om via de Zuidstraat naar het centrum te gaan.
|